sluiten Om www.praktischepediatrie.nl goed te laten functioneren maken we gebruik van cookies. Bekijk ons cookiebeleid

Congenitale knieluxatie of congenitale houdingsafwijking?

Richelle Middel en Anja Hafkamp

7 september 2018 Geen reacties
Categorie: Casuïstiek

Leerdoelen

Na het lezen van dit artikel:

  • weet u wanneer u een expectatief beleid kunt voeren bij een hyperextensiestand van de knieën van een neonaat;
  • weet u wanneer een hyperextensiestand van de knieën van een neonaat ingrijpen behoeft.

Casus

Bij een neonaat viel meteen na de geboorte een opvallende stand van zijn benen op (zie foto hiernaast; hyperextensie van de knieën op eerste levensdag).

Hij was in hoofdligging geboren bij een amenorroeduur van 37 + 1/7 weken, als eerste van een bichoriale biamniotische gemelli. De familieanamnese was negatief voor skeletafwijkingen.

Bij het lichamelijk onderzoek zagen wij geen andere musculoskeletale misvormingen. Door de kinderfysiotherapeut werd op dag 1 beiderzijds een beperkte gewrichtsmobiliteit vastgesteld (zie tabel 1).

Tabel 1 Gewrichtsmobiliteit van de patiënt.

bewegingsbereik

dag 1

dag 5

dag 28

referentiewaarde

PROM* flexie rechts

30°

140°

140°

140°

AROM** (hyper)extensie rechts

100°

PROM flexie links

30°

140°

140°

AROM (hyper)extensie links

100°

80°

*PROM = ‘passive range of motion’; ** AROM = ‘active range of motion’

Differentiaaldiagnostisch werd gedacht aan een houdingsafwijking, genu recurvatum en congenitale knieluxatie.

Achtergrondinformatie

Congenitale knieluxatie (of congenitale dislocatie van de knie, CDK) is een pathologische hyperextensiemogelijkheid van de knie direct postnataal. Deze moet onderscheiden worden van genu recurvatum, die wordt veroorzaakt door de werking van de musculus quadriceps bij een parese van de buigspieren van de knie als gevolg van spina bifida.1 De incidentie betreft gemiddeld 1 op de 100.000 pasgeborenen. De afwijking komt iets vaker bij meisjes voor dan bij jongens. Niet zelden is deze bilateraal. In 80% van de gevallen gaat CDK samen met afwijkingen elders in het skelet, meestal (45%) congenitale heupdysplasie. Andere onderliggende oorzaken zijn syndromale afwijkingen en paralytische omstandigheden, zoals meningokèle.2

De diagnose kan worden gesteld op het klinisch beeld, waarbij meten van de 'range of motion’ (ROM) van de kniegewrichten van belang is voor het bepalen van de ernst van de luxatie en voor de follow-up. De diagnose kan worden bevestigd met een röntgenfoto of echografie.2

Het graderingssysteem volgens Tarek2 biedt hulp bij het graderen van de ernst van de knieluxatie (zie tabel 2) en de daarmee samenhangende behandeling. Op dag 1 was de gradering van de hyperextensie van de knieën bij de patiënt uit de casus graad II rechts en graad III links.

Tabel 2 CDK graderingssysteem volgens Tarek.2

graad

passieve ROM*

radiologisch

behandeling

I

> 90°

simpele recurvatie

conservatief

II

30-90°

subluxatie/dislocatie

percutane quadricepsrecessie

III

< 30°

dislocatie

V-Y-quadricepsplastiek

* ROM: ‘range of motion’

Volgens tabel 2 zou de neonaat in aanmerking komen voor invasieve correcties als een percutane quadricepsrecessie en een plastiek. Men kan ook een maand afwachten of spontaan reductie optreedt, of kiezen voor een conservatieve behandeling zoals 'serial casting':3 herhaalde gipsspalken totdat de gewenste ROM is bereikt. Als reductie spontaan of met conservatieve behandeling optreedt, is de hyperextensiestand van de knieën meestal het gevolg van liggingsafwijkingen in utero en kan het worden beschouwd als een congenitale houdingsafwijking.3

Beloop van de casus

Vanwege de mogelijke associatie met heupdysplasie werd echodiagnostiek van de heupen verricht. Deze toonde geen afwijkingen. De orthopeed werd in medebehandeling gevraagd. Het rechter been werd gesloten gereponeerd (zie figuur 2), waarna geleidelijk herstel plaatsvond. Het linker been verbeterde niet spontaan, waarop 'serial casting' werd toegepast. Na vier weken waren de ‘active range of motion’ (AROM) en ‘passive range of motion’ (PROM) beiderzijds volledig genormaliseerd (zie figuur 3 en tabel 1). 

 figuur_2_foto_levensdag_3.png

Figuur 2 Status na gesloten repositie rechts op dag 3.

figuur_3_foto_5_maanden.jpg

Figuur 3 Normale stand van de benen, hier op de leeftijd van 5 maanden.

Conclusie

Bij geïsoleerde hyperextensie van de knieën is tot de leeftijd van 1 maand conservatieve behandeling mogelijk, onafhankelijk van de gradering van de passieve flexie. Bij spontane reductie of minimale behandeling kan een geïsoleerde hyperextensie van de knieën dan worden beschouwd als een congenitale houdingsafwijking. De prognose is over het algemeen goed tot uitstekend.

Referenties

  1. Loon T van, Besselaar PP. De behandeling van de congenitale knieluxatie. Ned Tijdschr Geneeskd. 1988;132:1009-11.
  2. Abdelaziz TH, Samir S. Congenital dislocation of the knee: a protocol for management based on degree of knee flexion. J Child Orthop. 2011;5:143-9.
  3. Haga N, Nakamura S, Sakaguchi R, Yanagisako Y, Taniguchi K, Iwaya T. Congenital dislocation of the knee reduced spontaneously or with minimal treatment. J Pediatr Orthop. 1997;17:59-62.

Er zijn geen relaties met de farmaceutische industrie.

Inloggen